Maria Popova – “Figuring”

Zojuist een boek van Maria Popova gelezen, ”Figuring”. Onder de indruk van haar stijl en systeemdenken heb ik haar inleiding vertaald en wil ik deze delen met iedereen die nieuwsgierig is in het zoeken naar betekenis in en tussen verhalen van mensen van nu en eerder. Verbonden door een kracht die ons ik en ons menszijn overstijgt. Dit allemaal verpakt in een psychonautische droomtaal. Veel leesgenoegen! Wisse

Alles – de ringen van Saturnus en de trouwring van mijn vader, de roze-beschenen onderbuik van de wolken in de opkomende zon, Einsteins hersenen badend in een beker met formaldehyde, elke zandkorrel die het glas van de beker maakte en elk idee dat Einstein ooit heeft gehad, de zingende herderin in het Rila-gebergte van mijn geboorteland Bulgarije en elk van haar schapen, elke haar op Chance’s fluwelen hondenoren en Marianne Moore’s rode vlecht en de snorharen van Montaigne’s kat, elke doorschijnende vingernagel op de pasgeboren zoon van mijn vriendin Amanda, elke steen waarmee Virginia Woolf haar jaszakken vulde voordat ze de rivier de Ouse inliep om te verdrinken, elk koperatoom dat de schijf vormde die de aria’s droeg aan boord van het eerste door mensen gemaakte object dat de interstellaire ruimte betrad en elke eiken splinter van de vloer waarop Beethoven neerviel in een vlaag van woede die hem zijn gehoor kostte, de natheid van elke traan die ooit bij een graf is gehuild en het geel van de snavel van elke raaf die ooit keek naar de huilers, elke cel in Galileo’s vlezige vinger en elke gas- en stofmolecule die de manen van Jupiter vormen waarnaar hij wees, de sproetenconstellatie in het olijven firmament van een bepaalde onderarm die ik liefheb en elke dwarreling van tederheid waarmee ik hou van haar, alle feiten en verzinsels waarmee we voortdurend de werkelijkheid bedenken en opnieuw bedenken – het kwam allemaal 13,8 miljard jaar geleden uit één enkele bron tot bestaan, niet luider dan de openingsnoot van Beethovens Vijfde symfonie, niet groter dan de stip die boven de kleine “i” zweeft, de “i” van het ik, gevallen van het voetstuk van het ego.

Hoe kunnen we dit weten en toch bezwijken voor de illusie van afgescheidenheid, van anders zijn? Dit moet het laagje fineer geweest zijn wat de samenvloeiing van incidenten en atomen bekend als dr. Martin Luther King, Jr., doorzag toen hij sprak over ons ‘onontkoombare netwerk van wederkerigheid’, wat Walt Whitman doorprikte toen hij schreef dat “elk atoom dat mij toebehoort even goed van jou is.”
Op een herfstochtend, als ik in de achtertuin van mijn vriendin Wendy uit San Francisco de brieven van een dode dichter lees, zie ik een fragment van die atomaire wederkerigheid. Midden in de zin, trekt mijn perifere zicht – die glorie van instinct aangescherpt door millennia van evolutie – me naar een wonderbaarlijk tafereel: een klein, glinsterend rood blad dat ronddartelt in de lucht. Het lijkt voor een ogenblik zijn laatste afdaling te dansen. Maar nee – het blijft daar zweven, een meter boven de grond, in een baan om een onzichtbaar centrum door een onzichtbare kracht. Even kan ik zien hoe dergelijke onwaarneembare causaliteiten de menselijke geest tot bijgeloof kunnen brengen, middeleeuwse dorpelingen ertoe aanzet om uitleg te zoeken in magie en hekserij. Maar dan stap ik dichterbij en zie een fijn spinnenweb glinsteren in de lucht boven het blad, samenzwerend met de zwaartekracht in dit tollende wonder.
Noch de spin heeft plannen gemaakt voor het blad, noch het blad voor de spin – en toch zijn ze er, een toevallige slinger voortgestuwd door dezelfde krachten die de manen van Jupiter in een baan houden, tot leven gebracht in deze kortstondige vroege ochtendpracht door eeuwige kosmische wetten die ongevoelig zijn voor schoonheid en onverschillig voor betekenis, maar beiden bordenvol van verbijsterd menselijk bewustzijn dat het aanschouwt.
We brengen ons leven door met proberen te onderscheiden waar wij eindigen en de rest van de wereld begint. We rukken ons gefixeerde beeld van het leven uit de gelijktijdigheid van bestaan door vast te houden aan illusies van bestendigheid, congruentie en lineariteit; van statische ikken en levens die zich ontvouwen in zinnige verhalen. Al die tijd, verwarren wij kans met keuze, onze labels en modellen van dingen voor de dingen zelf, onze verslagen met onze geschiedenis. Geschiedenis is niet wat er is gebeurd, maar wat de schipbreuken van oordeel en toeval overleeft.
Sommige waarheden, zoals schoonheid, worden het best verlicht door de zijdelingse glans van bedenken, van betekenisgeving. Tijdens onze zoektocht kruisen banen elkaar, vaak zonder medeweten van de lichamen die ze dragen – kruispunten die alleen in kaart kunnen worden gebracht vanuit de afstand van decennia of eeuwen. Feiten kruisen met andere feiten om uit te komen bij de nuances van een grotere waarheid – geen relativisme, nee, maar het machtigste realisme dat we hebben. We snijden in de gelijktijdigheid door alles in een keer te zijn: onze voornamen en onze achternamen, onze eenzaamheid en ons samenleven, onze stoutmoedige ambitie en onze blinde hoop, onze onbeantwoorde en gedeeltelijk beantwoorde liefdes. Levens worden parallel en lijnrecht geleefd, non-lineair doorgrond, niet in strakke “biografische” grafieken weergegeven, maar in veelzijdige, veelkleurige diagrammen. Levens verweven met andere levens, en uit het tapijtwerk ontluiken aanwijzingen bij antwoorden op vragen die afbreken tot op het geraamte van het leven: Wat zijn bouwstenen van karakter, van tevredenheid, van een blijvende prestatie? Hoe komt een persoon tot zelf-leiderschap en soevereiniteit van geest tegen de stroom in van conventie en onredelijk collectivisme? Is genialiteit, je onderscheiden, liefde voldoende voor geluk?…… Is succes een garantie voor vervulling, of slechts een belofte net zo precair als huwelijksgelofte? Hoe, in deze oogwenk van het bestaan gevuld met leegte, bereiken we de volledigheid van het zijn?


— Er zijn oneindig veel soorten mooie levens. —


Veel van de schoonheid, veel van wat ons streven naar waarheid voortstuwt, komt voort uit de onzichtbare verbindingen – tussen ideeën, tussen disciplines, tussen de bewoners van een bepaalde tijd en een bepaalde plaats, tussen de innerlijke wereld van elke pionier en het teken dat ze achterlaten op de grotmuren van de cultuur, tussen wazige figuren die elkaar passeren in het verborgene voordat het fakkellicht van een revolte de nieuwe dag verlicht, met weinig meer dan een half knikje verwantschap en de instemming om van eigenaar te wisselen….

Geef een reactie