Is een onveilige hechting bepalend voor de rest van het leven?

Ontwikkelingspsychologie Sinds de ‘ontdekking’ van hechting in de jaren vijftig is het een belangrijk concept in de kinderpsychologie. Maar er bestaat in de wetenschap ook kritiek op de eenzijdigheid ervan. Hoe belangrijk is de manier waarop iemand gehecht is aan zijn opvoeders?

Een oom die van de ene relatie naar de andere gaat: bang om zich te binden. Een vriendin die bij een onaardige partner blijft: verlatingsangst. Een aartsverlegen neefje dat zich achter zijn moeders benen verschuilt: onveilig gehecht. Of het gesprek nu gaat over opvoeding of over relatieproblemen, heel vaak komt daarin ‘hechting’ aan de orde – de manier waarop we in de prille levensjaren zijn gehecht aan onze ouders of verzorgers.

Sinds de ‘ontdekking’ van hechting in de jaren vijftig is het een belangrijk concept in de kinderpsychologie. Maar er bestaat in de wetenschap ook kritiek op de eenzijdigheid ervan. Hoe belangrijk is de manier waarop iemand gehecht is aan zijn opvoeders? Ís een onveilige hechting bepalend voor de rest van het leven?

Hechting begint met de totale afhankelijkheid van een mensenkind. Neem een willekeurige baby, in een wipstoeltje. Met zachte stem praat zijn moeder tegen hem. Ze maakt hoge geluidjes, ze aait over zijn wangetje. Dan gaat ze iets naar achteren, haar gezicht wordt uitdrukkingsloos. Even is er geen aandacht voor het kind. De baby kijkt naar haar en probeert haar aandacht weer te trekken. Eerst begint hij te lachen, te wijzen. Dan strekt hij beide handjes uit naar haar gezicht. Zijn armpjes en beentjes bewegen steeds onrustiger, er komen korte hoge gilletjes. Binnen twee minuten huilt het kind – compleet overstuur. Dan komt het gezicht van de moeder weer tot leven. Ze troost haar kleintje tot hij weer rustig is.

In de dramatische filmpjes van het jarenzeventigexperiment Still Face, zoals hierboven beschreven, is goed te zien hoe belangrijk fysieke én emotionele interactie is tussen kind en verzorger. Want zeldzaam hulpeloos komen mensenkinderen ter wereld. Met blikken, lachjes en een eindeloze reeks geluidjes zoeken ze contact. In die interactie wordt al jong de familieband opgebouwd en zo voelt een kind al vroeg: ik hoor bij deze mensen, ze reageren op me, hier ben ik veilig.

Behoefte aan voeding

Ooit werd die evidente hang van een baby aan zijn moeder vooral geweten aan de behoefte aan voeding. Maar in de jaren vijftig daagde in de wetenschap het besef dat deze onmondige kleintjes daaraan een noodzakelijk gevoel van veiligheid ontlenen, cruciaal voor het latere welzijn. Pionier op dat gebied was de de Britse kinderpsychiater John Bowlby (1907-1990), die dat proces van aandacht tussen kind en verzorger ‘hechting’ noemde, attachment. Tijdens zijn werk in Londense consultatiebureaus en bij jeugdige delinquenten zag hij dat hoe vaker en langer kinderen van hun moeder waren gescheiden, des te antisocialer en crimineler zij waren. Zonder die veilige eerste jaren in nauw contact met hun moeder ontwikkelden deze kinderen een intern model met negatieve verwachtingen over relaties met anderen, aldus Bowlby’s theorie, met levenslange gevolgen. Zijn ideeën waren revolutionair. Het heersende idee was destijds juist dat je baby’s moest laten huilen: te veel liefde en aandacht zou een kind maar verwennen.

De hechtingstheorie van Bowlby vormt nog steeds een kernbegrip in de ontwikkelingspsychologie. Psychologen weten: kinderen die in hun eerste jaren een veilige hechtingsrelatie opbouwen met hun ouders of verzorgers, gaan makkelijker vriendschappen aan dan onveilig gehechte kinderen, voor wie de ouders niet genoeg aandacht of empathie hadden. Onveilig gehechte kinderen krijgen later vaker te kampen met relatieproblemen, leermoeilijkheden, psychische problemen en een laag gevoel voor eigenwaarde.

Universeel kenmerk

Er is ook veel discussie, want hoe definitief en hoe bepalend is die samenhang tussen hechting en welzijn? En is die vroege hechting nu een universeel kenmerk van de mens of een typisch product van de individualistische westerse samenleving? Eind vorig jaar publiceerde de Duitse psycholoog Heidi Keller (Universiteit van Osnabrück en Hebrew University Jerusalem) het boek The Myth of Attachment Theory. „In het Westen zijn wij altijd maar bezig te vragen wat kinderen willen! Moeders vragen hier voortdurend aan hun kind hoe zijn innerlijke wereld eruit ziet: wat wil je, wat wil je!”, verzucht ze door de telefoon uit Osnabrück. Elders in de wereld is dat heel anders, waar kinderen veel meer in een gemeenschap opgroeien, en niet zo’n nauwe een-op-eenrelatie met hun ouders hebben.

In Rotterdam wordt daar anders over gedacht. „Iedereen ontwikkelt een gehechtheidsrelatie, het is een universele mijlpaal in een kinderleven, net zoiets als leren lopen”, zegt Maartje Luijk, hoogleraar pedagogiek aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. „Die vormt het fundament voor wat je als kind verwacht van relaties.”

Het eerste levensjaar zou je als een kritieke periode kunnen zien, zegt ze. „Dan is een baby volledig afhankelijk van zijn ouders of verzorgers voor zijn emotieregulatie. Als die goed reageren op wat het nodig heeft – troost bij verdriet, geborgenheid als het bang is – dan ontstaat een veilige hechtingsrelatie. Maar het is een ontwikkelingstraject. Naarmate een kindje ouder wordt, leert het steeds beter zelf zijn emoties reguleren. En ook dat niet elke wens in vervulling gaat, dat er grenzen zijn.”

Vreemde situatie

Inmiddels is duidelijk dat niet alleen de moeder belangrijk is voor een veilige hechting, aldus Luijk. „Een heel netwerk van opvoeders kan die rol hebben: de vader, een buurvrouw, een leidster van het kinderdagverblijf – zolang het maar mensen zijn die stabiel in het leven van het kind aanwezig zijn. Daarnaast weten we nu dat ook andere factoren meespelen in de hechting en de ontwikkeling van een kind.”

De meest gebruikte manier om de ‘gehechtheidsrelatie’ van een jong kind van een jaar te bepalen – in wetenschappelijk onderzoek, niet in de psychologische praktijk – is de zogeheten vreemdesituatietest. Die creëert een paar minuten een spannende, onbekende situatie voor het kind, zonder moeder of ander opvoeder. De mate waarin een kind zich daarna laat troosten door de opvoeder en hoe snel het zich daarna weer kan richten op de wereld om hem heen wordt gezien als een maat voor de kwaliteit van de hechtingsrelatie – die kan ‘veilig’ zijn of ‘onveilig’.

Het is toch belachelijk dat zoiets als iemands gevaarlijke rijstijl verbonden wordt met onveilige hechting?

Heidi Keller psycholoog

Slechts heel zelden mondt een onveilige hechting uit in een hechtingsstoornis, een psychische aandoening waarbij iemand grote problemen heeft bij het aangaan van relaties. Dan reageert iemand nauwelijks nog op anderen óf is juist een overmatig familiaire allemansvriend. Mensen met zulke hechtingsstoornissen hebben een grotere kans op depressies, verslaving, angststoornissen of om in de criminaliteit te belanden.

Het gewone leven

Zo is, zeventig jaar na de eerste ontdekkingen van Bowlby, ‘hechting’ een standaardconcept geworden, niet alleen in de wetenschap maar ook in het gewone leven. Ouders vragen zich af of ze met hun kinderen wel de juiste dingen doen om die cruciale hechting tot stand te brengen. En in gesprekken tussen volwassenen is de hechting in de jeugd een geliefde verklaring voor relatieproblemen. Daarover is Luijk kritisch: „Over hechting wordt vaak gepraat alsof het een persoonskenmerk is, maar dat is niet wat we er in de wetenschap mee bedoelen: een concept dat de kwaliteit van de relatie tussen kind en opvoeder beschrijft. Soms wordt de invloed van hechting overschat. Probleemgedrag kan door allerlei dingen komen.”

En er is dus ook fundamentelere kritiek op het hechtingsconcept. Aan de telefoon uit Osnabrück is Heidi Keller bijzonder fel. „Wat er mis is met hechtingstheorie? Álles!” Om te beginnen concentreert hechting zich veel te veel op de moeder, vindt ze. Keller: „Ja, in theorie wordt wel geaccepteerd dat kinderen zich aan meerdere personen kunnen hechten, maar in de wetenschappelijke onderzoeken draait het in 95 procent nog altijd om de moeder. Nooit wordt van tevoren gekeken of het eigenlijk wel de moeder is aan wie het kind in kwestie het sterkst is gehecht. Vind je dat goede wetenschap?” En daaraan worden dan zoveel absurde claims gehangen. Keller: „Het is toch belachelijk dat zoiets als iemands gevaarlijke rijstijl verbonden wordt met onveilige hechting? Daarop werken ook duizend andere invloeden.”

Moeders denken vaak dat ze het alleen moeten doen, en dat alles perfect moet

Maartje Luijk hoogleraar pedagogiek

En dan de suggestie dat hechting een universele menselijke eigenschap is. Keller: „In alle samenlevingen wordt voor kinderen gezorgd, en iedereen wil dat ze zelfvertrouwen krijgen en later zelfstandig kunnen optreden. Dát is algemeen menselijk.”

Maar volgens Keller worden die behoeftes van kinderen in de hechtingstheorie veel te nauw gedefinieerd. „Het moeten altijd volwassenen zijn aan wie kinderen zich hechten, terwijl in heel veel niet-westerse samenlevingen kinderen vooral door andere kinderen worden opgevoed. En dan moet de uitwisseling tussen verzorger en kind ook altijd een op een zijn, met volledige aandacht. Dat is ook typisch voor de westerse individualistische samenleving.”

Keller vertelt hoe ze eens aan moeders in Kameroen filmpjes liet zien van Duitse moeders die bezig waren met hun hangerige baby. „Ze waren de hele tijd aan het praten tegen dat kind! Die Kameroenese moeders schoten in de lach. Waarom al dat praten? Pak dat kind op en houd het tegen je aan!”

In het Westen eisen kinderen zo veel aandacht, omdat ze ook altijd zoveel aandacht krijgen, zegt Keller. Want dat zou zo goed zijn voor de hechting. „Kijk naar de speelplaatsjes, waar die moeders voortdurend hun kinderen prijzen. In andere culturen gebeurt dat helemaal niet. Daar worden kinderen veel meer met rust gelaten en verder vooral meegenomen in de volwassenenwereld.”

De band kan groeien

Maar heeft de verbintenis in de prille jeugd dan geen belangrijk effect op het karakter en het verwachtingspatroon later? „Natuurlijk!” zegt Keller. „Maar geen beslissende. Wat er de rest van je leven gebeurt is ook belangrijk. Iedere invloed is alleen op de volgende fase van je leven, de omstandigheden kunnen iedere keer veranderen.”

Een onveilige hechtingsrelatie hoeft dus absoluut geen vonnis te zijn voor de rest van het leven, dat geluid klinkt ook in Rotterdam. Ook later kan die band nog groeien, er zijn trainingen voor ouders, en wie vermoedt dat een onveilige hechting zijn problemen veroorzaakt, kan dat met een psycholoog uitzoeken.

Ouders moeten zich vooral niet te veel zorgen maken over of ze het wel goed doen, zegt Luijk. „Moeders denken vaak dat ze het alleen moeten doen, en dat alles perfect moet. Maar de hechtingstheorie zegt juist dat je het samen moet doen, met een netwerk van opvoeders aan wie kinderen zich kunnen hechten. Een kinderdagverblijf kan juist een mooi verlengstuk zijn.”

En perfect hoeft het ook niet. „Als de helft van de interacties soepel gaat is het ook al goed. Soms ben je er gewoon even niet.” Maar zit je recht tegenover je baby in een wipstoeltje? Geef hem de volle aandacht en lach.

GOED GEHECHT?


DE ‘VREEMDESITUATIETEST’

De Amerikaanse psychologe Mary Ainsworth bedacht in de jaren zestig hoe je in wetenschappelijk onderzoek kunt meten of kinderen tussen 12 en 20 maanden veilig gehecht zijn.

Een dreumes en zijn moeder (of andere opvoeder) zijn in een onbekende ruimte met speelgoed. Dan komt er een vreemde binnen. Even later gaat de moeder de deur uit. Na een tijdje komt ze weer binnen. Dan gaan beide volwassenen weg en is het kindje even alleen. Dan komt eerst de vreemde weer binnen en daarna de moeder.

De onderzoeker kijkt steeds naar de reactie van het kind als de moeder (of andere opvoeder) terugkomt. Rent het compleet overstuur naar haar toe? Gaat het stoïcijns door met blokken stapelen? Hoe lang duurt het voor het kind is getroost? De reactie van de dreumes zegt veel over de kwaliteit van de hechtingsrelatie.

De test onderscheidt veilige hechting en drie typen onveilige hechting. Een veilig gehecht kind zoekt troost bij zijn opvoeder en is na een stressvolle situatie snel weer op zijn gemak. Het zal dan weer zijn omgeving gaan ontdekken. „Wereldwijd, in allerlei culturen, zie je dat twee derde van de kinderen veilig is gehecht”, zegt Luijk.

Pakweg een derde van de kinderen is onveilig gehecht. Zij kunnen vermijdend gehecht zijn of angstig-afwerend. Kinderen in de eerste groep negeren hun opvoeder als die weer binnenkomt. Ze lijken onverschillig, ze vertrouwen er niet op dat ze bij hun verzorger terecht kunnen. Dit zie je vaak bij kinderen met ongevoelige, afwijzende ouders. Kinderen in de tweede groep reageren boos of juist angstig en aanklampend als hun verzorger terugkomt. Dit is een reactie op onvoorspelbare ouders, die afwisselend sensitief of onbereikbaar zijn.

Bij een op de twintig kinderen is sprake van een gedesorganiseerde hechtingsstijl; zij vertonen een combinatie van vermijdend en afwerend gedrag. „Dat is de meest onveilige vorm van gehechtheid”, zegt Luijk, „die zie je vaker als opvoeders zeer onvoorspelbaar of beangstigend gedrag laten zien, bijvoorbeeld door verslaving of psychiatrische problemen, en bij weeskinderen en kinderen die mishandeld zijn of andere ingrijpende gebeurtenissen hebben meegemaakt.”

Geef een reactie